Wageningse Schooltijd 1955

Ik zat op een dependance van de VGLO school in de Nutsspaarbank (hoek Hoogstraat, naast het Landbouwmuseum).

Ik was ondeugend en probeerde alles uit. Tijdens het speelkwartier speelden we op het speelterrein. Ernaast lag een grote stoep en daarnaast de gracht. Het was midden juni en iedereen was blij en uitgelaten; touwtje springen, tikkertje doen, ….. zoals het gaat op een speelterrein voor kinderen. Maar ja, er hingen wel walnoten aan die boom, al stond hij wel half in de gracht. Dat gaf niets, gewoon het schoolplein af, mocht niet natuurlijk, hek uit en bij de Hoogstraat het trapje af naar de gracht. Iedereen kijken en joelen vanaf het schoolplein om te kijken wat ik deed. Ik pakte een oude wasteil die daar lag, ging er op staan met een flink stuk hout, sloeg tegen de bomen aan, en de noten kon ik vangen of naar het droge gooien. Daar stonden mijn vriendinnen te roepen en ik gooide de walnoten naar hen toe, over het hek heen. Het was een spektakel.

Plotseling riepen ze allemaal heel hard “De JUFFFFFFFFF…………….”. Juf de Haan kwam op het spektakel af, ik schrok me wezenloos. ‘Wat nu?’ en sprong pardoes in die vieze gracht. Maar toen moest ik naar binnen, over de Hoogstraat, met achter me sporen van modder. De Juf stond strak in het gelid in de deurpost, boos kijkend en sommeerde mij naar boven te gaan en mij te wassen en schoon te maken.

Ik kwam de klas binnen en iedereen gniffelde over die verzopen kat. Maar het werd niets en na een minuut op 10 werd ik naar huis gestuurd, met een uitbrander van de juf. De stank in de klas was niet te harden, dus vandaar. Thuiskomend kreeg ik de volgende uitbrander en moest ik me wassen, in de teil want er was nog geen douche, en voor straf binnen blijven.

Achteraf had de Juf het hele verhaal smakelijk verteld in een lerarenvergadering, iedereen vond het een mooi verhaal!

Door: Aartje Roelofsen, Wageningen – Lokale Verhalen 2013

Verkeersovertreding op de Stadsbrink

busstationm-nbm-wageningen-1962Hoe een grove en zelfs gevaarlijke verkeersovertreding op de Stadsbrink (in aanbouw), op 18 juni 1962, de start werd van een huwelijkrelatie tussen Dick en Willy uit Renkum

Willy was toen 23 jaar en wilde haar autorijbewijs halen. Dick wilde zijn motorrijbewijs halen. Samen waren zij op theorieles bij rijschool Van de Broek in de Heerenstraat, waar zij elkaar liefdevolle knipoogjes gaven. Op een avond toen Willy naar het busstation van de nbm liep en de net klaargekomen weg van de Stadsbrink aan het oversteken was, kwam Dick rijdend op zijn pas gekochte Lambretta scooter en ging in al zijn enthousiasme op het verkeerde deel van de weg rijden om Willy in te halen. Hij vroeg haar of hij haar naar huis mocht brengen. Pas op de kruising met de toen genoemde Grindweg kwam Dick, met zijn Willy achterop, weer aan de goede wegzijde van de Ritsema Bosweg terecht om zijn scooterrit te vervolgen richting Renkum, teneinde zijn prille liefde naar huis te brengen. Bij het afscheid een kuis kusje. Dit alles gebeurde op 18 juni 1962. Op 18 juni 1963 zijn zij verloofd en wilden op 18 juni 1964 trouwen, maar door omstandigheden werd het 3 juli van dat jaar. Volgend jaar is deze gebeurtenis dus 50 jaar geleden.

busstation-nbm-stadsbrink-wageningen

Door: Dick en Willy Vlastuin, Wageningen – Lokale Verhalen 2013

Uitzichtpunt

Het is allemaal al even geleden. Ik ben 26, Jos 27, en we zijn pas getrouwd …

Omdat ik uit het westen van het land kom, weet ik nog niet zoveel van Wageningen. Jos wel, die heeft hier door zijn studie al 7 jaar doorgebracht. Intussen heb ik het stadje al meerdere keren doorgelopen, de uiterwaarden gezien, Hotel de Wereld bezocht. Vandaag is het tijd voor het Arboretum.
Het is een mooie dag in de herfst. Jos heeft een kort bruin leren jack aan, met een rode gebreide sjaal. Een grappige combinatie. Hand in hand lopen we door het licht glooiende park, genietend van de mooie herfstkleuren. De zanderige paadjes liggen vol met goudgele en rode blaadjes. Na een tijd wandelen word ik moe. Het was niet echt vroeg vannacht. “Zullen we ergens gaan zitten?”, stel ik voor. “Oh, goed hoor. Kijk daar staan een paar bankjes”, antwoordt Jos, “en vandaar heb je een heel mooi uitzicht!” Ik vind het best en loop mee.

“Hè hè”, zucht ik, als ik op een bankje plof. Ik kijk wat om me heen. Het is inderdaad een mooi uitzichtpunt. Maar intussen word ik ook loom van de zon en vallen m’n ogen bijna dicht. Jos kan echter nooit lang stil zijn, dus die begint allerlei dingen op te sommen die hij in de verte ziet.
“Kijk, dat is de Rijn en daar is het pontje naar Zetten”, zegt hij.
“En een heleboel weilanden”, vul ik aan.
“Nee, uiterwaarden”, verbetert Jos me.
Ik kijk mee, maar verlang eigenlijk naar stilte. Dat voelt Jos niet aan. Onverstoorbaar gaat hij door met aanwijzen wat hij ziet.
“Zie je die stad daar in de verte? Dat is Nijmegen.”
“Aha”, zeg ik.
“En verderop naar rechts, zie je die grote pijp en dat grote gebouw? Dat is de kerncentrale bij Dodewaard!” Ik kijk nu iets meer geboeid mee. Inderdaad wel een groot gebouw. En een rare verstoring van het verder zo vriendelijk aandoende Betuwse landschap. Jos praat nog een poosje door over de kerncentrale, maar mijn gedachten dwalen af.

Deze situatie zal ik nog vele keren meemaken. Eerst ben ik het enige publiek. Later zijn het onze kinderen, die we al snel kregen. Ze luisteren geduldig naar steeds weer diezelfde vragen: “Zie je die stad? Dat is Nijmegen. En zie je dat grote gebouw verderop naar rechts? Dat is de kerncentrale bij Dodewaard.” En dan volgt een uitleg over wat dat is. Of het de kinderen boeit of niet, ze zullen weten dat daar een kerncentrale staat!

Intussen zijn we bijna 25 jaar getrouwd. Nog steeds wandelen we geregeld naar het uitzichtpunt in het Arboretum Bel Monte. De kerncentrale  werkt niet meer.  Jos wijst hem ook niet meer aan. En toch kijk ik nog elke keer naar die stad in de verte en naar die niet werkende kerncentrale van Dodewaard.

                                                                                                                                                           Door: Rineke, Wageningen – Lokale Verhalen 2013

Het levensverhaal van Gerard van der Schouw, geboren Renkummer en getogen Wageninger!

Ik ben op 31 augustus 1928 geboren op de grens van Wageningen en Renkum op de Bergerhof 9, in de volksmond de ‘Mussenberg’ genoemd. We keken uit op ’t Renkumse Beekdal en de voet van de Wageningse berg, waar de Laan van ONO en gebouwen zijn gevestigd. Op 4-jarige leeftijd verloor ik m’n moeder en ging ik met m’n zus van 3 jaar naar m’n grootouders en tante, alwaar wij daar verder onze jeugd hebben doorgebracht!
Toen de lagere (basis) school er in 1941 op zat, ging ik op de fiets met (‘curver’)noodbanden via ONO, over ’t ‘zwarte’ pad en de Wageningse Engh, naar de Nijverheidsschool (hoek toenmalige Grindweg en Vergersweg). Ik heb daar (tussen de onderduikers) tijdens de oorlogsjaren, evacuatie + ’n extra jaar, m’n diploma gehaald + voorbereidend MTS gedaan.
In 1946 ging ik als beginnend machinebankwerker aan de slag, maar wilde machinist worden bij de NS. Na enkele jaren gewerkt te hebben als onderhoudsmonteur, kwam de militaire dienstplicht en daarna solliciteerde ik bij het Instituut voor Land-bouwtechniek en Rationalisatie aan de Mansholtlaan, alwaar ik werd aangenomen. Ondertussen had ik m’n vrouw (Betsie Driessen, geboren 4-4-1931 te Lobith) leren kennen in de ‘Suikerpot’ (hoek 1e en 2e Gerdestraat), op de dansles van dhr. Hoksbergen. Aangezien ik nu in Wageningen werk had, ben ik in maart 1952 vanuit Renkum naar Wageningen verhuisd; eerst in de kost en daarna bij m’n schoonouders ingewoond. Er was geen woning te krijgen en na enkele omzwervingen ben ik Wageningen altijd trouw gebleven. Zelfs ben ik toentertijd vanuit Renkum en later vanuit Wageningen af en toe naar ’t voetbal op de Wageningse Berg geweest, vooral als ‘Vitesse’ op bezoek kwam. Ik ging echter toch meer voor de natuur, zoals het Bergpad, Belmonte, pont en Uiterwaarden.

Nadat wij in 1954 trouwden in Wageningen hebben we na vele moeilijke jaren in 1968 een dochter en in 1971 zowaar ook nog een zoon gekregen, die beiden hier in het Wagenings Ziekenhuis zijn geboren op de Otto van Gelreweg (de Hucht).
In 1970 solliciteerde ik naar een baan bij de gemeente Wageningen, vanwaaruit ik met vervroegd pensioen ben gegaan. Ondanks wat minder geld zijn mijn kinderen toch goed naar ons inziens terecht gekomen. Mijn dochter woont ook hier in Wageningen, is gehuwd en heeft een zoon van 15 jaar. Mijn zoon heeft een administratiekantoor en woont in Heelsum. Het frappante is dat mijn familie, vanaf m’n overgrootvader tot aan m’n kinderen, gehecht is aan Wageningen en Renkum.

Enkele bijzondere gebeurtenissen:

In 1988 werd er door de ‘Vadanotten’ via de Wageningse Winkeliers een prijsvraag uitgeschreven voor een carnavalsnaam voor Wageningen. En wie werd de winnares? M’n dochter, zij had gewonnen met de naam ‘Jolleberg’. Deze naam wordt nog steeds gebruikt.

Op 26 maart 1943 woonde ik aan de A’dorpsstraat 3 te Renkum en om ongeveer 21.15 uur ’s avonds hoorde ik een enorm lawaai en ging direct naar buiten, niet wetende wat er laag overkwam. Ik zag daar ’n motor zonder uitlaat en deze had een vlammende staart. Een angstig gevoel bekroop mij: ‘direct valt hij neer’. Maar het geluid werd minder, ’n tiental seconden later ’n geweldige klap en toen werd alles stil. Het projectiel kwam vanuit oostelijke richting over het dorp Renkum en verplaatste zich volgens het geluid naar ’t westen, richting ONO naar Wageningen (zie Veluwepost 22/3/13). Ik was destijds 15 jaar en fietste iedere morgen naar de ‘Nijverheidsschool’ in Wageningen waar het wemelde van de Duitse militairen. Op school aangekomen hoorde ik van de Wageningse jongens, dat er een bom of V1 op ’t Rode Dorp was neergekomen.

Op 17 september 1944 om 12 uur maakte ik ’t bombardement op ‘Belmonte’ (ofwel ‘sahara’) mee, waarna ongeveer om 13 uur de luchtlanding begon, wat wel tot 17 uur duurde! De Duitse SS-ers kwamen vanuit het Noorden en Oosten om de Engelse brigades te verdrijven. Deze strijd duurde ongeveer 10 dagen, waarna een Rijncorridor werd gevormd van Arnhem t/m het Amsterdamrijnkanaal. De bevolking van o.a. Renkum en Wageningen was toen allemaal vanaf 1 oktober ’44  tot 5 mei ’45 geëvacueerd. Na de terugkeer vonden we veel beschadigde en vernielde huizen en gebouwen terug en kon de wederopbouw beginnen. Zodoende heb ik pas in 1946 m’n diploma kunnen behalen!

Toen ik in Wageningen vast werk had, heb ik via diverse instanties vanaf juli 1981 vele pogingen ondernomen om voor Wageningen weer ’n eigen rechtstreeks railstation te realiseren. Een kwestie van 3x ongeveer 6 km en Wageningen had rechtstreeks verbinding met Nijmegen, Utrecht en Schiphol, i.v.m. de internationale contacten met het buitenland. Helaas, het zal altijd wel in Ede-Wageningen bij overstappen blijven, maar ‘Wageninger’ blijf ik!

door: Gerard A.W. van der Schouw, do 21 maart 2013.

Dansen in Sint-Jozef

Toen ik in het schitterende boek, Geschiedenis van Wageningen, op blz. 209 de fraaie foto van Sint-Jozef zag, moest ik weer denken aan de zaterdagavonden, eind jaren ’40, toen we daar gingen dansen ‘in Katholiek verband’.
Hoewel ik niet Katholiek was mocht ik wel naar binnen omdat ik in het Jappenkamp een Katholieke pleegvader had gehad en omdat ik Wageningen op kamers zat bij een Katholieke familie.
Het waren heel gezellige avonden met heerlijke dansmuziek. Of dit live muziek was op dat we dansten op grammofoonplaten weet ik niet meer.

Op zaterdagavonden konden we ook dansen in de Negrozaal van het Oranjehotel aan de Hoogstraat, waar ook een bioscoopzaal was.

Verder konden we dansen in café Leander aan de Veerstraat, waar een jukebox stond met heerlijke jazzmuziek van de Dutch Swing Colleg Band, Chris Barber en Hot Club de France.

Door: M.B.Ponsen